Je viert dit jaar je 25-jarig auteurschap. Wat zijn voor jou hoogtepunten in die carrière?

Er zijn een paar scharniermomenten geweest. De gedichten van Van Ostaijen waar ik tekeningen bij maakte, hebben mijn blik op illustreren verbreed. Daarvoor wist ik toch niet goed hoe ik de relatie tussen woord en beeld spannend moest maken. Ik heb er geleerd dat ik in mijn tekeningen een eigen verhaal kon vertellen dat naast de tekst ging staan en er mee in dialoog ging. Het meisje de jongen de rivier was ook zo’n keerpunt, het was bevrijdend om dat boek te maken en ik legde er de basis voor een ander soort verhalen. Persoonlijker en vrijer. Ik werd meer schrijver: in Porselein en De koningin zonder land heb ik verhalen waarvan ik denk dat alleen ik ze kan vertellen, dan echt ontwikkeld. In De torens van Beiroet heb ik me als tekenaar weer opnieuw kunnen uitvinden…

Geconfronteerd worden met ouder werk is soms bevreemdend. Toch ben ik alleen maar blij dat ook boeken van de vorige eeuw zoals Rodica en Docica, Ik mis je, God, of De kleine soldaat nog altijd verder leven!

 

 

Hoeveel boeken gaf je uit in die 25 jaar?

Als je alles bij elkaar telt, al meer dan veertig. Ik schrik er eerlijk gezegd zelf van... Mijn verhalen hebben allemaal iets gemeen, denk ik. Ze gaan over verlangen, over onvermogen, over isolement, over vallen en opstaan. Ik denk dat ze ook altijd iets melancholisch hebben.

Je schrijft voor volwassenen en kinderen van verschillende leeftijden. Wat doe je het liefst?

Ik schrijf en hoop dan dat iemand er iets aan heeft. Alles wat ik schrijf is (ook) voor volwassenen; ik moet het per slot van rekening zelf toch ook interessant vinden. Als het verhaal dan echt vorm krijgt, denk ik wel dat ik stilaan een lezer voor me zie. Die is dan eerder verbonden met een genre dan met een leeftijdsgroep. Elk genre heeft zijn kenmerken. Ik herinner me een filosoof die Mijnheertje Kokhals ooit een ‘schitterend misbruik van een genre’ noemde. Met die opmerking was ik wel blij. Je schrijft binnen een context maar wrikt er ook een beetje aan. Ik denk dat Mijnheertje Kokhals alleen maar zo tragisch en aangrijpend kon zijn, omdat hij in een kinderboek optrad... Maar om terug te komen op je vraag: ik denk dat ik vooral van de afwisseling hou. Ik kan zoveel meer kwijt in al die genres dan wanneer ik me tot een ‘soort tekst’ zou beperken. Eenvoudige, heldere vertellingen die toch over iets complex gaan, die begrijpelijk zijn voor zeer jong en zeer oud, vind ik prachtig. Ik hoop dat mijn verhalen als God, De kleine soldaat, of die van het duo Konijn & Egel soms in die buurt komen.

Hoe kom je telkens tot nieuwe inspiratie voor een boek?

Soms komt een idee op mijn pad, hoor ik ergens een zin die iets in mijn hoofd in werking zet. Maar de meeste inspiratie komt door te werken, door te schrijven, … Ik ben er eigenlijk heel de tijd mee bezig. Ik schrijf in korte blokken, heel intens en soms zelfs wat haastig omdat ik het gevoel heb dat het een vruchtbaar moment is dat ik beter goed benut. Het is belangrijk dat die teksten dan wat blijven liggen, na een paar maanden zie ik tussen het kaf het koren. De koningin zonder land heeft er zo een paar jaar gelegen, voor ik eindelijk verder kon met het verhaal. Ik probeer zoveel mogelijk meteen goed te schrijven. Teksten herwerken is vaak moeilijker dan meteen, maar als het nodig is, bijt ik me erin vast. Soms typ ik passages over, louter in de hoop dat er zo een andere invalshoek ontstaat. Of ik ga wandelen of fietsen met een fragment in mijn hoofd. Ik herinner me dat ik zo ooit tijdens een wandeling op een heuvel in Namen dacht het licht te zien. Ik sloeg als gek aan het schrijven, ongemakkelijk zittend op een rotsblok terwijl de andere wandelaars me voorbijliepen. Ik weet niet of ik Porselein ooit tot een goed einde had gebracht, als ik die kans daar, toen, niet met beide handen gegrepen had. En in een laatste fase probeer ik nog de puntjes op de i te zetten.

Wat maakt je laatste boek, Konijn & Egel, voor jou uitzonderlijk?

Konijn & Egel is echt ‘heerlijk’ om te schrijven. Ik schrijf de verhalen voor mijn doen ook gemakkelijk. Ik voel me er vrijer in, denk ik. De verhalen zijn gevoelig, laconiek, wat ironisch, en ze hebben amper een plot. Een beetje zoals ik op mijn beste momenten in het leven sta. Ik denk dat ik er nog in kan groeien, dat ik de toon nog kan verfijnen… Ik ben sinds ik jong ben een paar keer op dierenverhalen gestoten die me echt fascineerden. Anton Koolhaas heeft er zo geschreven, Toon Tellegen heeft een eigen genre uitgevonden waar ik zeker ook schatplichtig aan ben, en Arnold Lobel heeft me – vooral met de verhalen van Kikker en Pad – echt betoverd. Ik denk niet dat ik een boek liever aan mijn kinderen heb voorgelezen dan Kikker en Pad, terwijl ik er evengoed andere schrijvers op kon attenderen. Het zijn perfecte verhalen, prachtig geïllustreerd, ze hebben een heerlijke toon. Je kan ze vergelijken met een familievoorstelling in het theater. Ik heb veel voor theater geschreven, en soms zie je tijdens voorstellingen iets wonderlijks gebeuren: volwassenen kijken ineens mee door de ogen van kinderen, en kinderen krijgen een vermoeden van wat volwassenen zien; doordat ze daar samen zitten, mekaar aanstoten, even een woord wisselen… Ik zou het prachtig vinden als lezers Konijn & Egel zo zouden lezen. Sommige verhalen zijn zo naief dat een kinderblik een volwassene helpt, andere zijn dan wat complex of geven een bredere kijk. Daarbij kunnen kinderen dan een steuntje van volwassenen gebruiken.

Maar wat misschien wel het meest bijzonder is aan Konijn & Egel is de samenwerking met Nils Pieters. Hij voegt zoveel toe aan het boek dat we maken. Hij maakt enthousiaste en toch ook wat tragische tekeningen, hij geeft de dieren echt mee een persoonlijkheid en ik vind zijn tekeningen ook echt slim gemaakt. Met een andere tekenaar zouden Konijn & Egel helemaal anders geworden zijn. Als ik het boek doorblader, zie ik soms hoe mijn tekst een niet al te kwade voorzet geeft, waarna Nils de bal dan vanuit een onmogelijke hoek prachtig in doel trapt!

Je hebt al met verschillende illustratoren samengewerkt. Welke invloed hebben illustraties op je teksten? Met welke illustrator zou je graag (nog) eens samenwerken?

Ik heb al vier boeken met Ingrid Godon gemaakt, en we hebben ook eens samengewerkt aan een project in Watou... Ik vind onze samenwerking zeer bijzonder; ik denk dat intussen ik haar tekenen wel in mijn achterhoofd meeneem als ik een verhaal voor haar schrijf. Maar eerder wil ik toch verrast worden door andermans tekeningen, ik wil al een deur openzetten naar een andere wereld dan de mijne. En ik hoop altijd dat een illlustrator iets aanbrengt dat ik zelf nooit zou kunnen bedenken. Ook Kleine Pieter deed open (met Randall Casaer) en Op een dag was de liefde moe (met Tim Van den Abeele) zijn boeken die ik echt koester. Er zijn veel illustratrices of illustratoren die ik zeer de moeite waard vind. Maar een naam die eruit springt al ken ik zijn werk alleen van het internet: Jesus Cisneros, een tekenaar uit Mexico- stad. Die moet op een dag tussen mijn regels tekenen!

Doe je nog iets bijzonders om deze verjaardag te vieren?

Ik denk dat er wel een klein feestje komt. Ik nodig je zeker uit!

 

 

Foto Paul Verrept: Haryanti Frateur